De Prijs Van Orde, hoofdstuk 1: Eerbieden
Doran (1048 N.V.C.)
De zon stond hoog aan de hemel en verlichtte het hoofdkantoor van het Eerbied van de Toekomst zo sterk dat Doran moeite had om er direct naar te kijken. Het droeg bij aan de heilige gloed die het gebouw vanuit zichzelf al bezat. Zelfs na al die jaren kon Doran zich nog verbazen om de goddelijke schoonheid die het uitstraalde. Gigantische zuilen stonden aan de top van brede trappen. Alles was van het puurste wit en werd dagelijks schoongemaakt. Het was een van de parels van Topash Lapid, hoofdstad van de zuidelijke provincie van Panterra en geregeerd door Sermo, een van de Zes.
Een lange rij mensen liep ordelijk door de grote boog naar binnen. Er stonden geen hekken, de rij was uit zichzelf gevormd.
Doran glimlachte. Orde, perfecte orde. Het was een van de hoogst aangeschreven kwaliteiten binnen de Eerbieden. Binnen heel Panterra trouwens. Het oversteeg alles en moest ten koste van alles bewaakt worden.
Naast de boog stond een tafel met een dik boek erop. Erachter zat een man die iedereen afvinkte die naar binnen ging. Naast hem stond een Zichtloze. Daar was Doran nog steeds niet aan gewend. Hun honden waren onnatuurlijk gedisciplineerd. Zelfs nu er een grijswitte kat tussen de rij mensen doorschoot, bleef het dier naast zijn meester zitten. De Zichtlozen zelf voelden al net zo onnatuurlijk aan. Maar, het waren noodzakelijke kwaden.
Doran liet zijn beide tatoeages zien aan de man achter de tafel toen hij eindelijk aan de beurt was. In tegenstelling tot die van mensen, waren ze gezet met rode inkt. Doran was een Múnlander. Door zijn zwarte schubben zou de traditionele zwarte inkt geen tot weinig contrast creëren. De man controleerde eerst zijn linkerhand, de hand waar zijn rang op stond aangegeven. Drie strepen. Een Bonat, de hoogste burgerlijke rang.
Nadat de man ook zijn naamtatoeage had gecontroleerd, gebaarde hij Doran om door te lopen.
Het hart van het gebouw was een gigantische open ruimte. In het midden stond een holle glazen zuil waarin lichtbruine trappen omhoog liepen, onderbroken door plateaus op elke verdieping. De plateaus waren verbonden met de rest van het gebouw door lange bruggen, die als spaken van verschillende raderen toegang boden tot de verschillende verdiepingen. Nergens was een naad of kier te bekennen. Dunne zijden sluiers hingen zowel horizontaal tussen de verdiepingen als verticaal vanaf het plafond naar beneden. Ze maakten het onmogelijk om vanaf beneden de top te zien. Dorans oog kon nog ongeveer de derde verdieping onderscheiden voordat de details verdwenen in een donkere massa.
Het was niet alleen het zijde dat dat veroorzaakte. Bovenin de grote ruimte bevond zich een groot dakraam waardoor het merendeel van het licht binnenviel. Het was moeilijker om tegen het licht in te kijken dan met het licht mee. Hierdoor kon iemand hoger in de zaal zijn oog veel beter houden op iemand beneden dan andersom. Iedereen kon omhoog kijken om te zien waar ze naartoe konden werken, maar nooit ver genoeg om zaken te zien die hen niet aangingen.
Dorans afdeling bevond zich op de achtste etage. Slechts een paar verdiepingen verwijderd van de top. De tocht daarheen was loodzwaar voor iemand van zijn bouw. De trappen waren gebouwd voor mensen en Arcaïnen, die samen het grootste deel van de bevolking opmaakten in het zuiden van Panterra, waar Topash Lapid lag. De benen van Múnlanders waren veel korter. Elke trede was een gevecht, maar zoals elke ochtend won hij uiteindelijk.
Hijgend greep hij zich vast aan het platform waar hij moest zijn. Een hand greep hem stevig bij zijn bovenarm en hees hem omhoog. ‘Daar zouden ze echt iets op moeten verzinnen,’ zei Rhean, een mens met een donkere huidskleur en Dorans favoriete collega. ‘Kun je niet zo’n takelapparaat installeren? Je weet wel, zoals ze die bij jullie op de Maantrappen hebben.’
‘Zou niet echt handig zijn met die zijden afscheidingen, denk ik,’ zei Doran buiten adem. ‘Daarbij is het ingenieurschap niet wat de goden mij hebben toebedeeld.’
Rhean knikte serieus. ‘Dat is waar. Nou, je kan gelukkig je tijd nemen. Ze zijn nu nog bezig met het onderhoud van de machine.’
Dat is ook zo, dat was vandaag. Met hernieuwde energie rende hij over de brug voor Rhean uit. ‘Ik zie je zo wel,’ riep hij nog over zijn schouder naar Rhean.
Het Orakel, de machine waar Rhean het over had, stond in een kamer in de oostelijke vleugel van het gebouw. Toen Doran de kamer in rende, was het onderhoudsteam net bezig met het verwijderen van de gigantische edelsteen waar het Orakel op draaide.
Met drie man tegelijk hesen ze de steen op een drager. De edelsteen was een bloeddiamant, zo genoemd vanwege zijn dieprode kleur. Tenminste, dat was hoe ze binnen kwamen. De steen die uit het Orakel werd gehaald was vervaagd naar een zachtroze.
Een tweede onderhoudsteam kwam binnen met een nieuwe, dieprode steen en schoof die in de lege plek in de machine. Ze duwden de grote metalen klemmen die de steen op zijn plek hielden naar binnen en er klonk een klik. Een van de ingenieurs liep naar een ander onderdeel van de machine en haalde daar een hendel over.
Het Orakel kwam tot leven. Tandwielen schraapten over elkaar, er klonken kleine knallen en stoom pufte door een grote buis naar buiten. Doran keek verwonderd naar de steen die afgevoerd werd. Was het de kleur die deze machine aanstuurde? Hij kon het zich moeilijk voorstellen.
Toen de ingenieurs de kamer uit waren, keerden alle ogen naar de dunne gleuf, niet ver van de plek waar nu de edelsteen achter een gesloten luik zat. Dat was de bron waar Dorans hele verdieping zich mee bezig hield.
‘Het blijft wonderlijk, hè?’ zei Rhean, die inmiddels ook binnen was gelopen. ‘Zeg, hebben jullie eigenlijk zoiets op de Maantrappen?’
Doran schudde zijn hoofd. ‘De Múnlanders hebben veel, maar niets zoals dit.’ Het enige wat nog bijzonderder was dan het Orakel of haar brandstof, was wat het produceerde. Doran zou er alles voor over hebben om te weten hoe het apparaat werkte, maar die kennis bezaten alleen de Zes. Zelfs Dorans baas, die een van de hoogste ambtenaren binnen het Eerbied van de Toekomst was, beweerde dat hij het fijne er niet van wist. Dat was ook de reden dat Doran het onderhoud had willen zien, om zelfs de kleinste glimp op te kunnen vangen van de werking van de machine.
Het eerste stuk papier gleed het Orakel uit. De ambtenaar die het dichtst bij de machine stond pakte het aan en verliet de kamer. De volgende schoof naar voren en het proces herhaalde zich.
Uiteindelijk was de beurt aan Doran. Hij moest moeite doen om niet door de gleuf te kijken. De laatste keer dat hij dat gedaan had, was het hem niet in dank afgenomen. En dat terwijl hij niet meer had kunnen zien dan een rode gloed.
Het Orakel maakte een geluid als een ratel toen hij Dorans stuk papier eruit werkte. Doran stopte hem in zijn zak. De informatie was niet geheim, tenminste, niet voor zijn collega’s, maar Doran wilde de eerste zijn die zijn mysteries op zou lossen. Hij knikte naar Rhean en haastte zich naar het archief.
Het archief bevond zich in de enige ruimte die meerdere verdiepingen besloeg, drie om precies te zijn, ook al bevond de enige toegang tot de ruimte zich op Dorans verdieping.
Doran kwam binnen op een plateau dat tot helemaal achterin de kamer doorliep en zich op een derde van de hoogte van de ruimte bevond. Langs de randen van het plateau bevonden zich grote tafels die in lange rijen tegen elkaar stonden. Dorans collega’s waren druk aan het werk, sommigen nog maar nauwelijks zichtbaar vanachter de stapels boeken en perkamentrollen. Vanaf het plateau, tussen de rijen tafels door, liepen brede trappen naar de verdieping eronder en stenen bruggen naar het plateau dat rondom de hele rechthoekige ruimte liep. Het plateau sloot aan op de kasten die beide lange muren van de ruimte bedekten. Met grote ladders op wielen konden de stukken op de hogere planken bereikt worden en tegenover de ingang bevond zich een gigantisch raam dat de ruimte van licht voorzag.
Doran liet zijn ogen wennen aan het felle licht voordat hij doorliep naar de kast waar de lege vellen zich bevonden. Zijn eerste taak zou bestaan uit het overschrijven van het stuk papier dat hij bij zich droeg. De inkt daarvan zou vervagen zodra wat erop stond zich had voltrokken, en de informatie moest daartegen beschermd worden.
Hij schoof aan bij een tafel, pakte het papiertje uit zijn zak en ontvouwde het.
“De hoeders van de wereld zullen zich tegen de valse goden richten.
Zij zullen de afvalligen neerslaan, orde uit chaos maken en balans terug laten keren.”
Doran bevroor. Hij kende de woorden goed. Ze maakten deel uit van een profetie die lang geleden al vervuld was en dus nooit uit de machine had moeten komen. De hoeders van de wereld waren de ware goden die de valse goden neergeslagen hadden, een gebeurtenis die bekend stond als de Verbanning van de Chaos. Zij hadden de brengers van de chaos van deze wereld verdreven en de zes grote steden gesticht die nu de hoofdsteden waren van de zes provincies van Panterra, het rijk dat een steeds groter deel van de wereld omvatte.
Doran staarde naar het papier om te kijken of de woorden zouden vervagen. Het gebeurde niet. Aarzelend hing Dorans hand met een pen boven de inktpot. Zou hij de standaardprocedure moeten volgen, zelfs wanneer er iets niet leek te kloppen?
Doran schudde zijn hoofd en pakte het papiertje op. Dit ging zijn zeggenschap te boven.
Hij verliet de archieven en liep naar het kantoor van Orphis, de onderminister van het Eerbied van de Toekomst, eindverantwoordelijk voor de profetieën, en de directe baas van Doran.
‘Binnen.’
Doran opende de deur en stapte de ruimte in. Orphis was niet lang voor zijn soort, maar in vergelijking tot Doran was elk mens lang. Hij had een gladgekamde zwarte baard en dikke borstelige wenkbrauwen, waarvan één altijd hoger leek te staan dan de ander. Daardoor zag hij er permanent verbaasd uit, iets dat Doran altijd verontrustend had gevonden. Hij was inmiddels gewend aan het feit dat mensen wenkbrauwen hadden, maar die van Orphis waren bijna angstaanjagend.
‘Doran, wat kan ik voor je doen?’ Hij schoof zijn bril recht terwijl hij sprak.
Doran moest door de bril onmiddellijk aan zijn thuisproject denken. Nee, niet nu, en zeker niet hier. ‘Ik ben wat vreemds tegengekomen.’ Hij overhandigde het papier aan Orphis.
‘Ah, altijd oplettend en snel. Ik twijfel er niet aan dat de rest hun taak voor de dag nog niet eens overgeschreven heeft, laat staan al uitgepluisd.’ Hij vouwde het papier open. Het gezicht van de onderminister vertrok even toen hij las wat er op het papier stond.
Hij zuchtte. ‘Het is weer zover,’ zei hij terwijl hij het papier boven een kaars hield. Het papier vlamde hoog op, hoger dan Doran had verwacht. Het was zo snel en intens dat het leek alsof het papier schreeuwde. Wat een rare gedachte.
Orphis had het blijkbaar wel verwacht, want hij smeet het papier nonchalant van zich af en liet het uitbranden op de stenen vloer. ‘Dit gebeurt wel vaker,’ zei hij. ‘Het is een bekende fout in het Orakel die we er maar niet uit krijgen.’
‘Dus het betekent niets?’ vroeg Doran.
Orphis schudde zijn hoofd. ‘Nee, het betekent niets. Waarom dit zich er zo nu en dan tussendoor wurmt weet niemand, maar het is bewezen dat het al vervuld is, dus maken we ons daar niet te druk om. We filteren het eruit en gaan weer verder.’
‘Vergeef me, eerwaarde, dat wist ik niet.’
Orphis wuifde het weg. ‘Vergeven en vergeten. Gezien de relatief korte duur van je werkzaamheden hier, kan ik alleen maar lovend zijn. Ik stel voor dat je weer achteraan in de rij aansluit bij de uitgifte.’
Doran knikte. ‘Natuurlijk, eerwaarde.’ Hij draaide zich om en wilde net weglopen toen hem iets te binnenschoot. ‘Eerwaarde? U zei dat dit vaker voorkomt, maar ik dacht dat profetieën slechts eenmaal uit het Orakel kwamen. Nooit hebben we een dubbele.’
‘Precies,’ zei Orphis. ‘Mede daarom denken we dat het geen profetie is. Wellicht is het een manier van de Zes om ons eraan te herinneren wie ons bevrijd heeft. Maak je er in ieder geval maar niet druk om.’
Doran knikte.
Bij het Orakel stond een groot deel van Dorans collega’s te wachten. Als de machine ’s ochtends opgestart werd kwam er altijd meteen heel veel uit, alsof ze nachts doorwerkte en overdag uitspuwde wat ze allemaal te vertellen had. De rest van de dag moest er echter langer op gewacht worden. Om dat iets comfortabeler te maken, stonden er stoelen tegen de muren.
Doran nam plaats en wachtte geduldig zijn beurt af. Toen het eindelijk zover was, vertrok hij opnieuw met zijn buit naar de archieven.
“De tijd dat de hoeders samenkomen nadert. Zonder ogen zal de dissident de wederhelft aanschouwen en nooit zal hij haar zien zoals anderen dat doen.”
Ergens was Doran teleurgesteld dat het bericht niet hetzelfde was. Nog steeds spookten de oneffenheden van de uitleg door zijn hoofd. De inkt was niet vervaagd en als het bericht door de goden als herinnering is verstuurd, waarom spreken ze dan in de toekomstige tijd?
Nee, Doran, concentreer je!
Hij trok zijn aandacht terug naar het bericht dat nu voor hem op tafel lag. Weer die hoeders. Kon dat wat met het eerdere bericht te maken hebben?
Doran schoof zijn stoel achteruit om ook met dit bericht naar Orphis te stappen, maar zijn nieuwsgierigheid greep in. Hij liep naar de boekenkasten en deed hij wat hij altijd deed: zoeken naar de betekenis achter de profetie.
Hanno (1048 N.V.C.)
Hanno keek zijn tegenstander aan en greep zijn zwaard steviger vast. Hier hing zoveel van af. Verliezen was geen optie.
Een duel tussen Zichtlozen werd weleens met schaken vergeleken, maar voor Hanno was het zo veel meer. Het was de ultieme uitdaging van denksnelheid, de hoogste vorm van mentale strijd.
Beelden flitsten voor zijn ogen, elk van hen niet meer dan een mogelijkheid. Ze spiegelden toekomsten voor; heldere zilverwitte vlekken licht die samenweefden tot objecten en personen op de plekken waar ze slechts enkele momenten later zouden staan.
Als hij niet reageerde.
Hij zeefde door de beelden heen. Elke mogelijke uithaal van zijn aanvaller deed hij teniet door alvast te anticiperen, terwijl zijn tegenstander hetzelfde deed met die van hem. Observatie van de oplossing verandert het probleem.
Iedere keer dat hij een aanval aan zag komen en zich klaarmaakte om hem af te wenden, verdween het beeld voor zijn ogen. Hij tastte zijn eigen aanvalsmogelijkheden af, maar elke keer dat hij een opening zag, verdween het beeld onmiddellijk.
Het moest saai zijn voor de omstanders. Twee jonge mannen die elkaar aanstaarden zonder ooit meer dan een kleine verandering in houding aan te nemen. Misschien klopte de vergelijking met schaken in de zin dat de deelnemers vrij weinig bewogen.
Totdat het voorbij was.
Hanno had zijn tegenstander ingehaald. Nog voordat hij zijn eerste stap zette zag hij de uitkomst al, omdat hij wist dat zijn tegenstander die uitkomst te laat zou zien.
Hanno zette de reeks zorgvuldig uitgekozen aanvallen in. Zijn tegenstander sloeg zijn zwaard keer op keer weg, maar werd steeds verder in een slechte positie gedrukt. Eindelijk was zijn tegenstander er net als Hanno van overtuigd dat hij al verloren had.
De wervelwind van beelden verdween en er bleef slechts één toekomst over. Zijn tegenstander liet het zwaard uit zijn hand glijden.
Het geluid van het zwaard dat op de grond kletterde bereikte Hanno’s oren pas nadat het beeld zijn ogen al had bereikt. Eigenlijk was het correcter om te zeggen dat het beeld voor het geluid kwam, maar voor Hanno voelde het al lang niet meer zo. Zijn beleving was een seconde verschoven naar de toekomst, naar wat zijn ogen hem vertelden. Het geluid was vertraagd, niet de beelden versneld.
Het had lang geduurd voordat Hanno gewend was geraakt aan die scheiding in tijd. In het begin hadden zijn hersenen geprotesteerd. Het was niet ongehoord dat kinderen tijdens de transitie hun verstand verloren, maar hij had het doorstaan. Nu wist hij niet anders.
Hij wilde niet anders.
Hij liet zijn eigen trainingszwaard zakken en knikte naar de jongen tegenover hem. De jongen onderdrukte zichtbaar een traan en knikte terug. Hanno vocht tegen de neiging om een gat in de lucht te springen van blijdschap.
Een figuur van hetzelfde heldere licht dat Hanno’s hele wereld opmaakte, stapte klappend het trainingsveld op. Zoals altijd volgde geluid het beeld.
‘Goed gedaan, mijn zoon,’ zei Arynika, zijn mentor. Ze greep hem bij zijn onderarm en zijn schouder. ‘Kom mee, ik moet je wat laten zien.’
Ondanks dat ze hem leidde, liepen ze naast elkaar. Tenminste, dat was hoe iedereen die geen Zichtloze was het zou zien. Hanno liep achter het beeld aan dat zich voor Arynika uitstrekte. Eigenlijk liep ze daar al. De werkelijkheid moest die situatie alleen nog inhalen. Hun honden volgden hen op de voet.
Ze verlieten het Eerbied van Het Zwaard. Hanno krabde aan zijn blinddoek terwijl ze de straat opliepen. De beelden van de mensen weken voor hun uiteen als water voor een schip. Alsof Hanno en Arynika wilde beesten waren om te mijden.
Hanno glimlachte. Hij kon het ze niet kwalijk nemen.
Ze sloegen een van de zijstraten in en Hanno’s hart maakte een sprong. ‘Je neemt me mee naar de smidse.’
Hij zag Arynika knikken nog voordat hij uitgepraat was, ook al deed ze het daarna pas echt. ‘Alles wat zal zijn, is al gebeurd,’ zei ze.
Hanno herhaalde de woorden. Het was het credo van hun Eerbied, maar hij miste de bedoeling van de woorden in deze context.
Blijkbaar zag Arynika de verbaasde uitdrukking die nog op zijn gezicht moest verschijnen, want ze ging verder. ‘De Zes wisten allang dat jij het gevecht zou winnen. Zij leggen het pad voor onze voeten en kennen al zijn wendingen. De commissie voor jouw zwaard is dagen geleden de deur al uitgegaan.’
Hanno merkte dat zijn pas onwillekeurig wat versnelde. Eindelijk was het zover. De laatste stap om een volledige Zichtloze te worden. Zijn eigen zwaard.
Hanno werd begroet door het gekletter van hamer op staal en de hitte van vuren toen hij door de deur stapte. Zijn hond, Briza, ging naast hem zitten met zijn blik op de ingang gericht.
Bryas, een grote man met stevige armen en een korte snor, was bezig met het smeden van een kling. Vonken spatten op en het stuk staal verloor langzaam zijn oranje gloed. De meester aan het werk. Elk zwaard op de rug van elke Zichtloze was door deze man gemaakt. Hij sloeg met een precisie waar de meeste Zichtlozen nog jaloers van konden worden.
Hij tilde de kling met een grote tang van het aambeeld en koelde hem in een grote bak water. Stoom rees op. Een leerjongen kwam aangerend met een gevest dat van tevoren vervaardigd was. Het handvat was omwonden met leer en er zat een ronde handbescherming op. De smid pakte het gevest van de jongen aan en schoof de kling erin.
Het klikte. Bryas en zijn leerjongens waren de enigen die de techniek beheersten en het maakte hen het efficiëntste genootschap van de zes provincies.
Bryas hief het zwaard in de lucht en bekeek het in het flikkerende licht van het vuur. ‘Precies op tijd,’ zei hij zonder de eerbied of de angst van de meeste mensen die een Zichtloze, of twee, onder ogen kwamen. ‘Zoals gewoonlijk. Is dit de jongen?’
Arynika knikte.
‘Hm,’ zei Bryas. ‘Lichter dan jullie zeiden, maar dat zou geen probleem moeten zijn.’ Hij zwaaide het zwaard een keer door de lucht. Een tweede leerjongen gaf hem de schede. Eraan zaten zes lederen banden, waarvan een uitgerust was met een zeshoek aan het einde waar de andere vijf in konden klikken. Het was een ingenieus systeem wat door de Múnlanders was ontwikkeld. Hanno vroeg zich af of Bryas zijn eigen klikmethode ervan had afgeleid.
Bryas nam de schede aan, schoof het zwaard erin en overhandigde hem aan Hanno. Hanno legde hem op het midden van zijn rug en bevestigde de banden, een langs elke schouder en twee langs elke zij, aan de zeshoek op zijn borst. Hij trok ze allemaal strak totdat het geheel niet meer kon bewegen.
Hij zuchtte. Het voelde alsof dit was wat hij al jaren miste. Hij voelde het verschil meteen in de wereld om hem heen en de invloed die hij erop uit kon oefenen. Hij had altijd al de kunde gehad om iemand te doden, maar nu was er zoveel meer mogelijk.
Hij trok het zwaard over zijn schouder uit de schede. De lengte, de grip, de balans: alles eraan was perfect. Hij zwaaide hem een paar keer heen en weer en liet hem in zijn hand draaien.
Arynika knikte goedkeurend. ‘Het ziet ernaar uit dat je het weer eens geflikt hebt.’
Bryas gromde. ‘Als jullie het niet erg vinden, ga ik weer terug naar de opdrachten die me geld opleveren.’
Hanno keek naar het beeld van Arynika, ervan overtuigd dat die over zou gaan tot een bedreiging of afstraffing van zo’n respectloze opmerking.
‘Vind je het niet fijn om je goden te dienen?’ vroeg ze. Ze klonk oprecht nieuwsgierig. Zeker niet zo streng als Hanno had verwacht. ‘Hun goedgezindheid is toch zeker een welkome beloning?’
Bryas haalde zijn schouders op en keerde terug naar zijn werk.
‘Is hij altijd zo?’ vroeg Hanno.
‘Nee,’ zei Arynika. ‘We treffen hem vandaag in een goede bui.’
Hanno zocht naar een teken van sarcasme of amusement op het gezicht van Arynika, maar vond niets.
Doran (1048 N.V.C.)
‘Doran, vriend, wat zie jij eruit!’ Branwen, de waard van Dorans vaste herberg, zette zijn dienblad op een lege tafel en hielp Doran uit zijn doorweekte mantel.
‘Ja,’ zei Doran. ‘Het nadeel van klein zijn is dat niet iedereen je ziet. Er reed een kar vlak naast me door een gigantische plas. Als je maar half zo groot bent als de rest, is dat al snel hetzelfde als een vloedgolf.’ Hij wreef het koude vocht van zijn gezicht.
‘Dat meen je niet,’ zei Branwen. ‘Iemand die een Bonat nat durft te spetteren?’ In zijn ogen zag Doran een mengeling van amusement en schok.
‘Je reageert al net zoals de man op de kar,’ zei Doran. ‘Toen ik het uitschreeuwde van de kou en schrik, stopte hij zijn kar. Eén blik op mijn tatoeage en de arme man ging op zijn knieën in dezelfde plas waar hij net doorheen was gereden. Het is echt verbazingwekkend hoe jullie mensen van vervolging over zijn gegaan in aanbidding, alleen maar vanwege het werk dat ik doe.’
Branwen lachte hartelijk. ‘Je staat nou eenmaal dichter bij de Zes dan wij Civati. Kom, ik breng je naar jullie tafel.’
Tot Dorans opluchting stond de tafel in de buurt van de open haard, waar vrolijk dansende vlammen de kou van de avond verdreven. Lisha, een Arcaïn, was bezig aan het laatste deel van een hertenbiefstuk. Haar scherpe reptielachtige tanden sneden door het vlees alsof het niets was. De tanden en de smalle slangachtige ogen stonden in sterk contrast met de kale huid en het anderszins zachte uiterlijk van Arcaïnen.
‘Hoi Lisha, is de rest er al?’ vroeg Doran
Lisha schudde haar hoofd terwijl ze het laatste stuk vlees doorslikte. ‘Ik verwacht ze elk moment.’
Branwen trok Dorans stoel voor hem uit, die er met de nodige moeite opklom. Gelukkig was hij zo vriendelijk geweest om er een extra verhoging op te leggen, zodat Doran nog boven de tafel uitkwam.
‘Het gebruikelijke?’ vroeg Branwen.
Doran knikte.
‘Hoe is het op het Eerbied van Statistiek?’ vroeg Doran aan Lisha, nadat Branwen weg was.
Lisha fronste. Tenminste, ze deed wat voor een frons doorging bij Arcaïnen. Door het gebrek aan wenkbrauwen was het niet meer dan een rimpeling in haar voorhoofd. ‘We mogen niet over ons werk praten, Doran. Dat weet jij net zo goed als ik.’
‘Sorry,’ zei Doran. ‘Daar ben ik nog steeds niet aan gewend. Op de Maantrappen deed ik niet anders. Ik was gewoon nieuwsgierig, meer niet.’
Lisha schudde haar hoofd. ‘Pas op met die nieuwsgierigheid! Je hoeft niet alles te weten.’
Doran knikte langzaam. ‘Ik zal het onthouden.’ Of proberen in ieder geval.
De deuren van de herberg zwaaiden open en een man in stijlvolle saffierblauwe kleding met gouden accenten stapte naar binnen. Zijn jas, broek en vreemde hoed waren perfect op zijn lichaam afgesteld. Zelfs zijn wandelstok had de perfecte hoogte, ook al had hij hem niet nodig. Hij had een houding die iedereen in de ruimte vertelde dat hij er nu de baas was. Achter hem liepen nog twee mannen de herberg in, de een de ander ondersteunend.
Doran glimlachte. ‘Daar zijn jullie. Ik dacht dat ik laat was.’
‘Dat was je ook,’ zei Lisha.
Doran negeerde haar en schudde de hand van de eerste man die binnengekomen was: Melio, een kleermaker die zijn eigen winkel runde in het betere gedeelte van het handelskwartier. Ook de twee mannen die achter hem aan waren gekomen, Bryas en Kartan, liepen naar de tafel. Bryas, de belangrijkste smid in Topash Lapid, of heel Panterra eigenlijk, begeleidde Kartan, die nagenoeg blind was.
Toen Doran ze aan zag komen schoten ineens de woorden die hij die dag gelezen had hem te binnen. Zonder ogen zal de dissident de wederhelft aanschouwen en nooit zal hij haar zien zoals anderen dat doen.
Zijn onderzoek van die dag had hem nog niet veel opgeleverd, maar nu hij zijn vriend zag, presenteerde zich een heel simpel antwoord. Kartan keek met zijn handen, niet met zijn ogen, en hij was voor de volgende dag opgeroepen om met zijn grote liefde te trouwen. Hij beweerde dat hij niet wist wie dat zou moeten zijn en dat zou heel goed kunnen kloppen. De Zes wisten wie bij elkaar pasten, of ze elkaar nou kenden of niet.
Doran schudde zijn hoofd. Laat je werk op het Eerbied. Vandaag gaat niet om jou of je werk, maar om Kartan. En toch, wat betekende het als Kartan als dissident in de profetieën stond?
Doran slikte.
‘Ik zou hier eerder zijn geweest,’ zei Melio. ‘Maar Bryas stond erop om samen Kartan op te halen en die stond er op zijn beurt op dat hij zijn kunstwerk afmaakte voor we vertrokken.’
Het kunstwerk was ongetwijfeld een van zijn sculpturen. Gek genoeg was zijn slechtziendheid precies wat hem de beste beeldhouwer en boetseerder maakte in Topash Lapid. Hij maakte exact wat zijn handen voelden, wat de gelijkenis vaak nagenoeg perfect maakte.
‘Ja en we hadden ook echt wat aan je,’ zei Bryas. ‘Je liep alleen maar als een pauw voor ons uit.’
Melio zuchtte diep en overdreven. ‘Ik was bij jullie in gedachten, als morele steun zogezegd. Je zou me inmiddels goed genoeg moeten kennen om niet meer van me te verwachten.’
‘Je zou je handen eens uit de mouwen moeten steken,’ zei Bryas terwijl hij Kartans rechterhand op een stoel legde zodat hij zelf kon gaan zitten. ‘Gedachten zijn nutteloos.’
‘Integendeel,’ zei Melio. ‘Gedachten zijn een poort naar een andere wereld, het speelterrein van de geest, een bodemloze poel gevuld met oneindige mogelijkheden voor de verbeelding.’ Hij gebaarde nonchalant naar een tafel bij de toegang tot de keuken. ‘Neem die jongedame daar bijvoorbeeld. In mijn hoofd heb ik haar alle hoeken van de kamer al laten zien.’
Iedereen lachte, inclusief Bryas. ‘Je hebt gelijk, ik had beter moeten weten.’
‘Laat het aan jou over om een mooi concept om te toveren in iets plats,’ voegde Lisha half afkeurend en half geamuseerd toe.
‘Ach jullie zijn gewoon geïntimideerd door mijn intelligentie.’
‘Ha, zoals jij door de intelligentie van vrouwen bedoel je?’ zei Kartan lachend.
‘Je begrijpt me verkeerd, beste man. Ik ben niet geïntimideerd door intelligente vrouwen, ik vind de minder intelligente gewoon fijner gezelschap. Die geven een stuk minder gedoe. Eerlijk waar, je zou denken dat de slimmen door zouden hebben dat ik niet iets meer wil dan… wat ik wil; maar de dommen lijken daar veel meer inzicht in te hebben. Intelligentie blijkt, zoals zoveel in het leven, een relatief begrip.’
Stoelen schraapten over de grond terwijl iedereen ging zitten en regen rustgevend op de ramen tikte. Doran staarde uit over de straat. De woestijnstenen gebouwen waren door het vocht verkleurd naar een veel donkerder bruin. Eén raam verder, op de vensterbank aan de buitenkant, zat een kat.
Zijn grijswitte kleur stak sterk af tegen de omgeving en om zijn hals droeg hij een halsband met twee vreemde penningen. Beiden waren blauw, maar door de regen en het flikkerende licht in de herberg leek een van de twee iets dynamisch te krijgen, bijna alsof de kleuren verschoven. De ander daarentegen was vlak en roerloos. Vast gezichtsbedrog.
Branwen kwam terug met een bord heerlijke geurende aardappelen en een gebraden kip. Het was veel te veel, maar ondanks Dorans protesten dat hij het niet op kon, bleef Branwen hem dezelfde hoeveelheid brengen als ieder ander. Naar eigen zeggen weigerde hij te discrimineren op basis van lengte. Doran had maar niet gevraagd waarom de rest dan geen verhoging kreeg voor hun stoel.
‘Branwen, volgens mij wil je kat naar binnen,’ zei Doran, wijzend door het raam.
Branwen volgde zijn vinger terwijl hij het bord op tafel legde. ‘Nee, ik heb geen kat. Is er vast eentje die de kookkunsten van mijn vrouw ruikt.’ Hij pakte het lege bord voor Lisha weg en nam de bestellingen op van de nieuwkomers.
Doran keek nog even naar de kat. Het was een groot beest met een vacht die veel te dik en te wit leek voor het klimaat. Wellicht geïmporteerd vanuit een van de andere provincies. Het beest zat in het raam, zonder geluid of beweging. Doran moest er een tijdje naar gestaard hebben, want Branwen kwam terug met vijf glazen gedistilleerde drank uit het Westland. Alleen het beste was goed genoeg voor zijn gasten.
Iedereen hief zijn glas. ‘Op Kartan en het onbekende anker dat zijn schip voor altijd vast zal leggen,’ zei Melio.
‘Kun je niet voor één keer uit je rol als stereotype stappen en blij zijn voor je vriend?’ zei Lisha.
Melio veinsde verontwaardiging.
‘Alsjeblieft, verleid hem niet weer tot huis-tuin-en-keukenfilosofie,’ zei Bryas. ‘Zo weet je tenminste wat je aan hem hebt, hoe simpel het ook is.’ Hij bracht snel zijn glas naar voren en iedereen klonk zijn of haar glas ertegenaan.
‘Waar komt dit gebruik eigenlijk vandaan?’ vroeg Doran.
‘Het is oorspronkelijk bedoeld om eventueel vergif dat iemand een je drankje had gedaan over te laten stromen in het glas van de ander,’ zei Kartan.
‘Heb je ergens gelezen zeker?’ zei Melio. Hij lachte hard om zijn eigen grap.
De rest glimlachte flauwtjes mee. Kartan kon het hebben.
‘Ik ben benieuwd,’ zei Lisha. ‘Vertrouwen mensen elkaar niet dat ze proosten? Of is het de waard die wij niet vertrouwen en hopen we het gif te verdunnen? Of is het simpelweg de behoefte om met zijn allen tegelijk te sterven als een van ons vergiftigd is, als een soort ultiem romantisch gebaar?’
‘Begin jij nu ook al?’ vroeg Bryas met een moeilijke uitdrukking op zijn gezicht en een duidelijk zucht in zijn woorden. ‘We klinken onze glazen op het huwelijk van onze maat.’
‘Maar wat voor effect heeft dat er nou weer op?’ ging Lisha door. Doran zag in haar ogen een twinkeling die vertelde dat ze Bryas expres dwarszat. Voor hem was alles glashard en zwart-wit. Ze keken elkaar even strak aan. Bryas moest hetzelfde gezien hebben want hij glimlachte geforceerd.
De rest van de avond vloeide de alcohol en gingen de gesprekken over het aankomende huwelijk. Bryas en Lisha hadden het proces beiden doorgemaakt en probeerden Kartan op zijn gemak te stellen. Doran had geen partner, niet meer, maar hij was dan ook de enige Múnlander die de status van Bonat had in Topash Lapid. Admún, een van de zes hoofdsteden die dichter bij de grens met de Maantrappen lag had meer Múnlanders, maar zelfs daar waren er maar weinig die de rang van Bonat haalden.
Huwelijken die de rassengrens overschreden kwamen wel voor, maar waren zeldzaam en vruchteloos. Huwelijken tussen twee personen van verschillende status waren zo mogelijk nog zeldzamer.
Doran had nog wel herinneringen aan een vrouw uit zijn vorige leven, maar die brachten hem nu meer pijn dan vreugd. Sterker nog, ze achtervolgden hem nog steeds in zijn nachtmerries. Het vuur dat…Nee, niet aan denken, Doran. Vanavond is een feest.
Melio had ook niemand, maar dat was zijn eigen keuze. Niet dat hij invloed had over wanneer hij opgeroepen werd, maar Sermo zou hem aan niemand gaan verbinden zolang hij zijn leven leidde zoals hij op dat moment deed. Dat kon alleen maar slechte gevolgen hebben. Een god zou die fout niet maken.
Terwijl de avond vorderde merkte Doran dat hij moeite had om zijn aandacht bij de gesprekken te houden. Het was niet dat de woorden hem niet interesseerden, maar ze werden overstemd door wat hij eerder die dag gelezen had. Wat zou het betekenen als Kartan bij die zogenoemde hoeders hoorde? En dan was er nog dat woord ‘dissident’.
Doran slikte. Als er iets was dat de Zes niet duldden, dan was het een dissident. Er was slechts een handjevol opstanden geweest en elk van hen was snel en bloederig neergeslagen.
Het einde van de dag naderde. Binnen een uur zou de laatste avondbel luiden om aan te geven dat iedereen binnen diende te blijven. De groep schoof de stoelen aan en begaf zich naar buiten.
Lisha begeleidde Kartan terug naar zijn huis, ondanks zijn protesten dat hij het zelf wel kon vinden. Doran vermoedde dat het minder te maken had met zijn zicht dan met de hoeveelheid alcohol in zijn lichaam.
Ook Melio keerde huiswaarts met zijn mantel boven zijn hoofd tegen de regen.
‘Wacht even,’ fluisterde Bryas. Hij graaide met zijn hand in de binnenzak van zijn mantel. Ik heb waar je me om gevraagd had. Hier, doe alsof je me een hand geeft.’
Doran keek om zich heen. De straat was nagenoeg leeg en mensen waren veel te druk met thuis te komen om naar hen te kijken. Daarnaast stonden ze in de schaduw en stond Bryas met zijn rug naar de straat. Toch deed Doran wat er van hem werd gevraagd. Hij wist hoe serieus mensen zaken namen die buiten de officiële kanalen liepen.
Hij voelde het zachte stukje stof in zijn hand glijden toen Bryas hem beetpakte. Erin gewikkeld waren een aantal bolgeslepen ronde stukken glas, die zachtjes klingelden.
‘Bedankt,’ zei Doran. ‘Nu kan ik eindelijk-’
‘Nee,’ zei Bryas. ‘Wat je ermee doet is jouw zaak en van niemand anders, begrepen? Ik wil het niet weten.’
‘Ja, natuurlijk. Sorry.’
Bryas knikte en liep weg.
Smaakt dat naar meer? Bestel meteen jouw exemplaar via de boekhandel, Bol.com, Kobo of rechtstreeks via de uitgever.
