De Prijs Van Orde: Proloog

Arynika glimlachte flauwtjes toen ze de kar aan zag komen rijden over de kasseienweg. Hij hobbelde rustig tussen de kleine hutten door die het dorp opmaakten. De man en de jongen op de kar waren zich nog onbewust van wat hun te wachten stond.

‘Hanno is een zeer ambitieuze leerling,’ zei de docent van de jongen. De man stond tussen Arynika en Ylan in, bovenaan de trappen van het marmeren schoolgebouw. Zijn ogen schoten heen en weer tussen haar en haar mentor. ‘Uiterst nieuwsgierig naar alles en werkt als geen ander,’ vervolgde de man, zijn stem hees en zijn spreektempo snel.

Arynika zuchtte en keek naar Ylan, haar mentor, die veel geduldiger was dan zij. De informatie over de jongen hadden ze allang. De bureaucratie van Panterra had zo zijn voordelen.

Waarschijnlijk wist de docent dit ook en praatte hij slechts zijn zenuwen van zich af. Zichtlozen maakten anderen nu eenmaal ongemakkelijk. Of dat kwam door het zwaard op hun rug, de doek voor hun ogen, of het feit dat ze altijd alles aan zagen komen, kon Arynika moeilijk zeggen. De extreem gehoorzame honden die ze altijd bij zich hadden hielpen ongetwijfeld ook niet. Wellicht was het de combinatie van dat alles.

‘Ah, daar zal je hem hebben,’ zei de docent opgelucht. Hij wees naar de kar die Arynika al de hoek om had zien rijden, een seconde eerder dan het daadwerkelijk gebeurd was.

De kar stopte. De man met de teugels in zijn handen keek naar de Zichtlozen, zijn angst duidelijk zichtbaar, zelfs van veraf. Hanno, zijn zoon en het kind dat Arynika zocht, trok hem aan zijn arm. ‘Vader,’ leek de jongen te zeggen. ‘Waarom stoppen we?’

Toen zijn vader geen antwoord gaf, probeerde Hanno van de kar af te springen. Zijn vader greep hem bij de schouder, zonder zijn ogen weg te trekken van Arynika.

Iedereen prees de goden openlijk, maar wat deed je als hun dienaren voor je zoon kwamen?

‘Bij de Zes.’ Ylan zuchtte diep. ‘Hij gaat ervandoor’

De vader gaf gehoor aan die korte en elegante profetie door de kar om te keren en het paard flink aan te jagen.

‘Ik heb ze niets verteld,’ zei de docent snel. ‘Ik zweer het op mijn leven.’

Arynika negeerde de man. Ze was inmiddels gewend geraakt aan de angst die zij als Zichtloze opwekte. De woorden waren daaruit voortgekomen. Overbodig, hun waarheid allang bekend.

‘Ik ben hier slechts om te observeren,’ zei Ylan, zijn zwart met grijze baard zachtjes wiegend in de wind. ‘Maar zouden we de honden er niet achteraan moeten sturen?’

Altijd zo correct en toch probeert hij me nog te sturen. Ik dacht dat we die tijd gehad hadden. ‘Geen reden om paniek te schoppen,’ zei Arynika. ‘Het is een lange weg naar hun boerderij. We halen ze wel op tijd in.’

Ylan knikte. ‘Waarom hij? Zijn scores zijn goed, maar niet opmerkelijk.’

Arynika haalde haar schouders op, iets waarvan ze wist dat het Ylan zou frustreren. Het maakte haar niet uit. Haar redenen waren zijn zaak niet. Het was de enige keuze die ze had gehad in de laatste dertig jaar. De enige beslissing die van haar alleen was. Ze was niet van plan om hem te verantwoorden.

Ze kon hem niet verantwoorden, niet eens aan haarzelf.

Het begon te regenen toen ze het plein opliepen van het aftandse dorp. Elke keer dat Arynika buiten de steden kwam, viel het haar weer op hoe vervallen alles eruitzag. Nou ja, bijna alles. Het schoolgebouw was het visitekaartje van de Zes; stichters, heersers en goden van Panterra. Geen hoek was imperfect, geen materiaal verweerd, geen steen op de verkeerde plek.

‘Weet je,’ zei Arynika. ‘Ik heb altijd al een hekel gehad aan regen.’

Ze zag Ylan fronzen vanachter zijn blinddoek nog voordat ze uitgesproken was. ‘Wat heeft dat hiermee te maken?’ vroeg hij, meer geïrriteerd dan verbaasd.

Arynika glimlachte. ‘Niet zoveel, maar dat heeft geen effect op de waarde of waarheid ervan. Het is de ironie, denk ik. Ondanks alle macht die wij en onze goden hebben, ontkom je er toch niet aan. We kunnen het zien aankomen, maar aan het einde van een bui zijn we toch weer nat. Kennis zonder controle.’

Ylans zucht was bijna een kunstwerk op zich. ‘Hoe vaak heb ik je nou verteld dat ik geen interesse heb in je filosofische mijmeringen?’

‘Je stelde zelf de vraag,’ zei Arynika, een flauwe glimlach op haar lippen.

‘Schat, we moeten weg! Zichtlozen!’ Vader trapte de deur in en begon alles in de kleine boerderijwoning overhoop te halen. Hij greep een jute zak waar al een aantal appels in zaten en stopte hem vol met alle losse dingen uit de kamer.

Hanno bleef in de opening staan. De spetters van buiten merkte hij bijna niet. Zijn moeder was bezig geweest in de keuken, een klein hoekje in de hut. De halfgeslachte kip lag nog op het houten werkblad.

Waar zijn ze bang voor? dacht Hanno. Wie zijn die mensen? Waarom waren ze bij mijn school en waarom moeten we voor hen vluchten?

‘Hanno, lieverd.’ Moeder pakte Hanno bij zijn schouder en keek hem indringend aan. ‘Ga je kleren pakken en kom dan snel weer naar beneden.’

Vader liep langs Hanno en smeet de jute zak op de kar, trok alles wat er verder op lag eraf en rende weer naar binnen.

Hanno haastte zich naar boven en pakte zijn kleren en zijn kussen. Terwijl vragen door zijn hoofd stuiterden, rende hij naar beneden. Daar wilde zijn vader net de deur uitstormen met de laatste voedselvoorraad, maar hij stopte ineens. De pan met gepekeld vlees viel met een luid gekletter op de grond. ‘Hoe?’ fluisterde hij nauwelijks hoorbaar.

Moeder gilde, greep Hanno en drukte hem beschermend tegen zich aan. De twee grote honden die Hanno in het dorp had gezien, liepen vastberaden naar binnen. In de deuropening verschenen twee gestaltes. Op dat moment kwam er een flits van buiten, een seconde later gevolgd door de klap van de donder.

‘Dat heb je zo gepland,’ zei de eerste van de gestaltes. Een mannenstem.

De tweede gestalte haalde alleen haar schouders op. Ze stapten naar binnen en trokken hun kappen af. In het flikkerende licht van een kaars op de tafel was nu te zien dat het inderdaad een man en een vrouw waren, hun ogen bedekt door grijze doeken.

Zichtlozen waren de meest veelbesproken wezens van Panterra, achter gesloten deuren dan. Hun ogen lieten ze altijd bedekt, maar ze zagen alles. Sommigen dachten dat ze konden zien door de ogen van hun honden. Misschien hadden ze die daarom altijd bij zich.

‘Ik zou die hooivork maar laten liggen, boer,’ zei de mannelijke Zichtloze.

Vader keek de Zichtloze verbaasd aan. De hooivork stond aan de andere kant van de kamer tegen een muur. ‘Jullie krijgen hem niet!’ schreeuwde hij. Hij rende naar de hooivork toe.

Moeder duwde Hanno achter zich. Hij keek om haar rok heen wat er zou gebeuren. Zijn hart klopte in zijn keel. De Zichtlozen wilden hem? Waarom?

De Zichtlozen bleven staan, net als hun honden. Geen van hen bewoog totdat vader plotseling met zijn hooivork naar de man stak.

De vrouw schopte op het laatste moment tegen de hand van Hanno’s vader. Zijn hooivork belandde in de muur naast de deur. De mannelijke Zichtloze gaf hem een verveelde duw, waardoor hij op zijn rug naast Hanno en moeder op de vloer belandde.

‘Maakt u zich geen zorgen,’ zei de vrouw. ´Zijn kansen zijn goed, bijna 87 procent.’

‘Alstublieft.’ Moeder viel op haar knieën, haar handpalmen omhoog. ‘Mijn zoon. Heeft u zelf geen kinderen?’

De vrouw schudde haar hoofd langzaam. ‘Mevrouw, u zit hier met twee mogelijke toekomsten. In de ene gaat uw zoon vredig met ons mee, niet getraumatiseerd, omdat zijn ouders nog leven. De andere kunt u nu wel raden.’

Anders kon Hanno dat wel. Dat ging niet gebeuren. Niet als het aan hem lag. ‘Ik ga wel mee.’ Hij rukte zich los uit zijn moeders armen. Met knikkende knieën liep hij naar de twee Zichtlozen toe.

‘Nee!’ schreeuwde zijn moeder terwijl ze naar zijn armen reikte, maar Hanno had zijn keuze gemaakt.

‘Blijf liggen,’ zei de Zichtloze man tegen vader, die deed wat hem gezegd werd.

Hanno liet zich door de Zichtlozen zijn huis uit leiden. Zijn ouders liet hij achter, op hun knieën. Hij probeerde zijn hoofd te heffen. Flink zijn. Dat was wat hij nu moest doen.

Het lukte hem niet.